📚 Grammatica

Engelse grammatica oefenen: de 10 onderwerpen waar Nederlandstaligen op vastlopen

1 oktober 2026  ·  8 min lezen

Engels lijkt voor Nederlandstaligen makkelijk: de woorden lijken op elkaar, we horen het de hele dag, en met een beetje lef kom je ver. Toch maken ook gevorderde sprekers steeds dezelfde fouten, en dat komt niet door een gebrek aan woorden maar door tien stukjes grammatica waar het Nederlands en het Engels net anders werken. Hieronder staan ze op een rij, telkens met de fout die je in het Nederlands hoort doorschemeren, de juiste vorm, en een link naar de oefeningen.

1. Present simple of present continuous?

Het Nederlands heeft één tegenwoordige tijd: ik werk. Het Engels heeft er twee, en ze betekenen iets anders. I work in Ghent zegt iets over je situatie; I am working on a report zegt wat je nu aan het doen bent. De typische fout: I work now on a report. Onthoud: gebeurt het nu, op dit moment, dan kies je de vorm met am/is/are plus -ing.

Oefenen: present simple en present continuous.

2. Present perfect: het woord dat "sinds" verraadt

"Ik woon hier al tien jaar" wordt in het Engels niet I live here for ten years maar I have lived here for ten years. Alles wat in het verleden begon en nu nog doorloopt, krijgt de present perfect. Andersom geldt ook: iets wat afgesloten is en een tijdstip heeft, krijgt de past simple. I have seen him yesterday is fout, I saw him yesterday is goed.

Oefenen: present perfect en past simple.

3. De derde persoon: die ene s

Klein, maar Nederlandstaligen vergeten hem in gesprekken massaal: she works, he does, it rains. In het Nederlands verandert het werkwoord bij elke persoon, in het Engels alleen bij he, she, it. Precies omdat het maar één uitzondering is, glipt hij erdoor. Lees je eigen zinnen na op elk werkwoord na he, she of it.

Oefenen: present simple.

4. Vragen en ontkenningen met do

Het Nederlands draait de zin om: Werk je hier? Het Engels zet er een hulpwerkwoord bij: Do you work here? Hetzelfde bij ontkenningen: niet I work not here maar I do not work here. Alleen to be en de modale werkwoorden (can, must, will) doen het zonder do: Are you tired? Can you help?

Oefenen: vragen stellen en ontkenning.

5. Woordvolgorde: onderwerp, werkwoord, en de rest

De klassieke Nederlandse fout is de inversie na een bijwoord: Yesterday went I to the shop. Het Engels houdt vast aan onderwerp, werkwoord, voorwerp: Yesterday I went to the shop. Ook bijwoorden van frequentie (always, never, often) staan op een vaste plek, vóór het hoofdwerkwoord: I always take the train, niet I take always the train.

Oefenen: elk onderwerp bevat een oefening woordvolgorde; begin bij voegwoorden.

6. Lidwoorden: wanneer géén the?

Het Nederlands zegt de natuur, het leven, de mensen. Het Engels laat het lidwoord weg bij algemene begrippen: Nature is beautiful, Life is short, People are kind. Andersom vergeten we a bij beroepen: She is a teacher, niet She is teacher.

Oefenen: lidwoorden.

7. Voorzetsels die niet vertalen

Op school is at school, in de trein is on the train, op maandag is on Monday en in de ochtend is in the morning. Er zit geen systeem in dat je kunt beredeneren; je leert ze per combinatie. De veelgemaakte fouten: I am interested for (moet in), depend of (moet on), married with (moet to).

Oefenen: voorzetsels.

8. Meervoud en telbaarheid

Informatie, advies, nieuws, meubels: in het Nederlands gewoon te tellen, in het Engels niet. Some information, a piece of advice, the news is, furniture zonder s. Ook hair, money en research blijven enkelvoud.

Oefenen: meervoud.

9. Modale werkwoorden zonder to

Ik moet gaan wordt I must go, zonder to. Nederlandstaligen plakken er graag een to achter (I can to swim) of vervoegen het modale werkwoord (she cans). Alleen have to en need to nemen wel een to. En let op het verschil tussen must not (mag niet) en do not have to (hoeft niet).

Oefenen: modale werkwoorden.

10. Voorwaardelijke zinnen: if zonder will

Als het regent, blijven we thuis wordt If it rains, we will stay at home. In de if-zin staat de tegenwoordige tijd, nooit will. Bij een hypothese schuift alles een tijd terug: If I had more time, I would learn Spanish. De Nederlandse fout is If I would have more time.

Oefenen: voorwaardelijke wijs.

Zo pak je het aan

Kies één onderwerp per week. Doe de zes oefeningen op niveau A1 tot je ze foutloos hebt, daarna A2 tot B1. De oefeningen tonen bij elke fout meteen wat er misging, zodat je niet hoeft te wachten op een nakijkmoment. Het eerste onderwerp is gratis; alle Engelse grammatica samen kost €20,99, en voor scholen is er een abonnement per klas.

Gratis download

Probeer een werkblad gratis

Haal het Supermarkt-set. 6 oefeningen in 5 talen, direct PDF, geen creditcard nodig.

🎁 Gratis werkblad downloaden →